De X-Factor!

De ene talentenjacht is nog niet voorbij of de andere is al weer op de televisie en het draait bij al die programma’s maar om één ding: beschikken de deelnemers over de X-Factor of niet?

Uiteraard wil elke jeugdorkestdirigent muzikaal het beste uit zijn of haar jeugdorkest halen, maar veel dirigenten vergeten daarbij vaak hoe de uitstraling van het orkest bij het publiek over komt. Het publiek is namelijk niet alleen luisteraar, maar ook toeschouwer. Als ik op jeugdfestivals jeugdorkesten hoor die wel fantastisch klinken, maar ik merk totaal geen speelplezier bij de kinderen dan heb ik het gauw gezien (ik bedoel gehoord). Ook de uitstraling van menig dirigent laat nog wel eens te wensen over en dat gaat meestal ten koste van de muziek. Als een dirigent namelijk constant met zijn hoofd in de partituur hangt en boven zijn lessenaar uit zie ik alleen zijn beide handen in spiegelbeeld de maat takteren, dan klinkt het hele muzikale verhaal uiteraard ook verre van spannend.

Het maakt niet uit of je een groot of klein jeugdorkest dirigeert, of er fantastische muzikanten in spelen of dat de kinderen net begonnen zijn op een muziekinstrument, speelplezier uitstralen is zo moeilijk niet. Sommige kinderen beschikken van nature al over de X-Factor en andere kinderen kunnen dat leren. Eén van de basisbeginselen daarvan is een juiste zit of sta houding. Een muziekinstrument moet je naar je mond brengen en niet andersom. Zo krijg je een verkeerde speelhouding en dat ziet er niet alleen raar uit, maar het kan ook problemen geven waar muzikanten lang last van kunnen hebben. Blessures als liesbreuken, ontstekingen aan spieren, pezen of gewrichten hadden eenvoudigweg voorkomen kunnen worden als er aandacht aan de juiste speelhouding was besteed!

Onlangs moest ik een collega vervangen en wat ik in dat jeugdorkest allemaal tegenkwam heeft u waarschijnlijk nog nooit meegemaakt. De meeste muzikanten zaten onderuitgezakt en met hun benen over elkaar alsof ze thuis op de bank naar de televisie zaten te kijken. De fluitisten hadden, net als de hoornisten, hun hoofd 45° gedraaid alsof de uitgever de muziek scheef had afgedrukt en ze op die manier de muzieknoten beter konden lezen. De trompettisten speelden meer de ‘stoeptegel serenade’ dan dat de bekers trots naar voren waren gericht. Bij de swingende altsaxsolo stond de solist er als een zoutzak bij waarbij hij onmogelijk kon denken: ‘Jo man, dit is pas swingen geblazen!’ Bij de drummer stond de lessenaar helemaal links van de Hi-hat alsof hij met geen mens iets te maken wilde hebben en zéker niet met de dirigent. Zijn collega was al geen haar beter, want die stond nonchalant op een beatring te slaan en straalde zoiets uit van ‘wat doe ik hier’.

Een paar weken later werd ik uitgenodigd om ergens in het land mijn eigen composities te dirigeren tijdens een jeugdplay-inn. In één muziekstuk had ik onder een mooie zangerige melodie een viertal noten voor de triangel geschreven zodat er een dromerige en romantische klanksfeer in het orkest zou ontstaan. De betreffende muzikant was tijdens de repetitie echter op de triangel aan het meppen alsof hij ijs aan het verkopen was en zijn blik was alleen maar op het muziekstuk gericht om te kijken welk ritme er stond. Om drie uur was de slotpresentatie voor de ouders en ik zette hem voor het orkest, gaf hem een megatriangel van 50cm (!) in zijn handen en vertelde hem dat er achterin de zaal een heel mooi meisje zat waarvoor hij moest spelen. Toen gebeurde waar ik als dirigent altijd naar op zoek ben: er klonken prachtige tonen, heel de lichaamshouding van deze muzikant was naar het publiek gericht en die megatriangel was aanleiding tot hilariteit in de zaal. Op dat ene moment werd de X-Factor werkelijk bereikt!

Bekijk het overzicht van al onze columns.