Experimenteren met de orkestopstelling

Het ideale plaatje van een dirigent is dat er op elke stoel een topmuzikant zit. In de praktijk is het meestal zo dat de beste klarinet- / bugelspelers op de voorste rij zitten en naarmate het niveau wat minder is men steeds verder naar achteren zit. Het probleem bij deze opstelling is dat de tweede en derde stem de eerste niet of nauwelijks horen. De laatste tijd ben ik tijdens de repetities wat aan het experimenteren met de orkestopstelling en ik moet zeggen: “ Dit werpt al heel snel vruchten af!” De eerste en tweede klarinetten heb ik van plek verwisseld. De voordelen voor de tweede klarinetten hiervan zijn dat ze nu meer steun van achteren krijgen waardoor ze zelf ook meer klank durven te produceren en ze nu veel beter horen hoe de ritmiek en de melodische lijnen van een stuk in elkaar zitten. Als dirigent heb je nu directer contact met deze rij dan anders en hoor je veel beter hoe er gearticuleerd wordt. Resumé: zowel muzikant, dirigent als het orkest varen er wel bij. Deze opstelling hanteer ik een aantal repetities en daarna doe ik hetzelfde met de derde klarinetten.

Zitten de klarinetten/bugels qua partijverdeling achter elkaar, zo zitten zowel de trompetten als de trombones naast elkaar. En dan zo dat de 2e naast de 1e zit en de 3e weer naast de 2e . Mocht echter blijken dat de 3e trompettist/trombonist, om welke reden dan ook, meer steun aan de 1e dan aan de 2e heeft zet de 1e dan in het midden neer. Als de betreffende muzikant op de 3e stoel daar baat bij heeft komt het ook weer heel het orkest ten goede.

Het ‘Amerikaans Hoorn Kwartet’ heeft een tijd geëxperimenteerd om de ideale opstelling te bereiken en zij zitten nu als volgt:

Hoorns 1

De 2e, 3e en 4e hoorn hebben niet alleen goed zicht op de 1e hoorn maar tevens horen ze elkaar ook uitstekend wat uiteraard ten goede komt aan het samenspel en de zuiverheid. Dit zou m.i. ook een goede opstelling zijn voor de fluitsectie. Want ook hier geldt dat de tweede fluit die kaarsrecht achter de eerste zit deze niet of nauwelijks hoort.

Als ik een (jeugd)orkest onder mijn hoede krijg vind ik het niveau totaal niet belangrijk. Dat is een kwestie van bouwen , maar……..het zou wel prettig zijn als de drummer tempovast is. Hij/zij kan beter heel het stuk strak in de maat: ‘boem-tak-boem-boem-tak’ spelen zonder spectaculaire breaks te maken, dan dat hij/zij het lampje op de metronoom steeds van links naar rechts laat uitzwenken. Dat is namelijk een ramp voor de dirigent , omdat heel het orkest vrolijk op het tempo van de drummer gaat meespelen. Of de drummer wel of niet strak in de maat speelt kan ook afhangen van de plek waar de drummer zijn/haar lessenaar heeft staan. De meeste drummers zijn namelijk gewend om hun lessenaar links van de Hi-hat te plaatsen waardoor ze, in plaats van over de lessenaar heen de dirigeerstok zien, juist naar links kijken waar dan misschien wel een leuke percussionist van het andere geslacht staat, maar zeker niet de dirigent! De ene oplossing is om de lessenaar voor de Basedrum te plaatsen wat echter weer lastig is als er omgeslagen moet worden, omdat ze dan niet makkelijk bij de partij kunnen. De andere oplossing is om het drumstel in zijn geheel ongeveer 30 graden naar rechts te draaien.

De plek van de bassen verschilt per orkest. Meestal zitten de bassen (voor de dirigent rechts) achterin het orkest. Soms zitten ze middenachter of juist meer naar links en een enkele keer zitten ze achter de euphonium. Hoe het ook zij, mijn voorkeur is dat de ritmesectie (drums – bas) dicht bij elkaar zit zodat ze elkaar goed kunnen horen. Als die twee namelijk goed samenspelen is het bed voor het orkest gespreid.

In een van mijn orkesten zit de hoboïst op de 2e rij. We speelden onlangs een muziekstuk waarbij de hobo en de soloklarinet een aantal maten vraag en antwoord hadden. In de concertzaal bleek bij het inspelen dat deze twee elkaar door de akoestiek niet goed konden horen. Voor dit concert heb ik de hoboïst naar de voorste rij gehaald en het klonk fantastisch.

Een hoop muzikanten klampen zich qua samenspel, melodie, ritme, zuiverheid (en vergeet de gezelligheid niet!) erg vast aan de buurman of buurvrouw. Om dit vaste stramien te doorbreken gooi ik de boel af en toe letterlijk door elkaar. Iedere muzikant gaat op een andere plek zitten, maar dan zo dat niet een en hetzelfde instrument naast elkaar voorkomt. Op die manier moet iedereen het op zijn eigen houtje uitzoeken en dat heeft op de muzikanten een verrassend effect. Vervolgens krijgen zij de opdracht mee om de vaste buurman / buurvrouw qua geluid proberen te vinden. Dit werkt zeer bevorderlijk voor het onderling luisteren naar elkaar. Qua balans is deze methode een ‘drama’ voor de dirigent, want een bastrombone op de stoel van de soloklarinet werkt niet echt bevorderlijk. Maar werken aan balans…………..is weer een ander verhaal.

Bekijk het overzicht van al onze columns.