Ik leer een jeugdorkest graag verder kijken dan de noot lang is!

Als jongen zat ik op voetbal. Ik was een middelmatige speler maar vond het voetballen erg leuk. Van de spelregel ‘buitenspel’ had ik echter nooit gehoord, dus er werd constant door de scheidsrechter voor me gefloten. De andere jongens schelden en de tweede helft werd ik door de trainer gewisseld. Op de ‘Mavo voor Ballet en Muziek’ moest ik Fransje woordjes leren. Dat was voor mij nogal korte termijn politiek. Wel een goed cijfer voor de repetitie maar jaren later weet ik er bijna niets meer van.

Zulke voorvallen maak ik in mijn jeugdorkesten ook regelmatig mee. Sommige kinderen hebben nog weinig theoretische kennis en andere stomen zich op het laatste nippertje klaar voor het muziek A-examen. Eindresultaat? Mooie cijfers op het diploma, bloemen van de vereniging en een stukje in de krant!

Tijdens de wekelijkse repetitie van het jeugdorkest stel ik altijd wat theoretische vragen over een muziekstuk zodat de kinderen het stuk inhoudelijk beter leren kennen. Na de titel, die vaak al veel zegt over de speelmanier, kom ik bij de maatsoort. In dit geval een 4/4 maat.

‘Wat betekent de bovenste 4?’

‘Dat er 4 noten in elke maat zitten.’

‘Maar ik zie in de eerste maat al 8 noten staan.’

‘Hmmm, geen idee dan.’

‘En wat betekent de onderste 4?’ Ik zie allemaal vraagtekens boven de hoofdjes op één na.

‘Dat de kwartnoot één seconde duurt.’

‘Eén tel bedoel je’. ‘Dat is hetzelfde’.

‘Nee, dat zou alleen hetzelfde zijn als er bij de tempo aanduiding kwart is 60 zou staan en hier staat kwart is 80’. ‘O.’

Ook bij dit persoon ontstaat een vraagteken boven zijn hoofd. Dan zie ik een vinger bij de trompet sectie.

‘Ivo, in maat acht staat een rare noot.’

‘Dat is een bis’. ‘Hoe speel ik die?’

‘Denk eens goed na’. Kind haalt zijn schouders op.

‘Geen idee, hoefden we niet te leren voor A.’

‘Maar waar zitten dan de halve afstanden in de majeur toonladder van C?’

‘Ja, dat weet ik ………tussen de 3e en 4e ..……….en………. 5e en 6e .’

’Nee, 7e en 8e dus tussen de b en de c’.

‘O ja.’

‘En wat doet een kruis?’

‘Een halve verhogen.’

‘Heel goed, hoe speel je dus een b met een kruis?’

‘Geen idee.’ Ook de buurvrouw ernaast , daarnaast én daarnaast kijken me aan alsof ze water zien branden.

‘Een kruis verhoogt een half en tussen de b en c zit een halve afstand dus een bis speel je net als de c’.

‘Waarom schrijven ze dan niet gewoon een c?’

‘Omdat dat theoretisch zo hoort’.

‘Vind ik stom.’

Vol goede moed ga ik verder. ‘Wat is de toonsoort van het muziekstuk?’

‘Toonsoort, wat is toonsoort?’

‘De betreffende toonladder die bij het stuk hoort’.

‘Geen idee.’

‘Maar er staan toch drie mollen?’

‘Ja.’

‘Welke toonladder heeft drie mollen?’

‘Ja dat weet ik niet meer hoor, het examen is al weer twee maanden geleden.’

‘Je bent toch geslaagd voor je A?’

‘Ja.’

‘INLEVEREN!’

Wat had ik als jongen graag geweten wat ‘buitenspel’ was. Dan had ik de tweede helft misschien ook mee mogen spelen.

Bekijk het overzicht van al onze columns.