Op Amerikaans blokfluit avontuur

Bij een van de allereerste jeugdorkesten die ik dirigeerde had de muziekvereniging ook een blokfluitgroep. De meeste kinderen hadden het na twee jaar op blokfluitles wel gezien. Vanuit de vereniging werd nauwelijks een actief beleid gevoerd betreft de doorstroming naar een fanfare-instrument, maar toch wilde ik die kinderen op de een of andere manier koppelen aan het jeugdorkest. Muziek voor blokfluitgroep en jeugdorkest was er naar mijn weten nog niet en zo heb ik in 1996 de ‘Blokfluitrock’ gecomponeerd. Ik had toen nooit durven dromen dat dit eenvoudige blokfluitthema (dat ‘tig’ keer herhaald wordt met slecht drie simpele akkoorden eronder) over heel de wereld gespeeld zou gaan worden. Van Noorwegen tot Afrika en van Amerika tot Japan. Het was de eenvoud zelve die het tot een grandioos succes maakte.

1

 

 

Maar even terug naar 1996. Het gevolg van mijn eerste compositie voor blokfluitgroep met orkestbegeleiding was dat de jonge blokfluiters in aanraking kwamen met een fanfareorkest, ze dé solisten waren op de jaaruitvoering en de concertzaal eindelijk weer eens stampvol zat met ouders, broertjes, zusjes, opa’s en oma’s die allemaal hún artiesten wilden zien optreden. Na het concert had het bestuur begrepen hoe ze het jeugdbeleid moest aanpakken en is de doorstroming van blokfluit naar een fanfare-instrument goed op gang gekomen. In 1999 heb ik de ‘Blokfluitrock’ met 207 blokfluiters uitgevoerd waardoor we een notering kregen in het ‘Guinness Book of Records’.

Na de verkoopsuccessen in Europa wilde mijn uitgever Tierolff de horizon verbreden en wel de oceaan over richting Amerika. In Amerika ben je als componist echter strikt gebonden aan vaste voorschriften wil een muziekstuk aan een bepaalde moeilijkheidsgraad voldoen. Doordat er syncopen in de blokfluitpartij stonden werd de niveauaanduiding opgeschaald van 1 naar 1,5. De compositie moest ook opnieuw worden gegraveerd naar Amerikaanse maatstaven en er moesten akkoordenschema’s en dynamiek bij worden gezet. Zelfs het papierformaat moest eraan geloven, want muziekafdrukken op A4- formaat is er in Amerika niet bij.

Ook mijn andere compositie ‘Dancing Recorders’ werd onder de Amerikaanse loep gehouden. Men werd niet vrolijk van de ‘gis’ die ik voor de altsaxofoon had geschreven. Daardoor zou de moeilijkheidsgraad van de compositie niet kloppen met hun niveauvoorschriften. “Ja, maar een eenvoudige compositie waarbij de blokfluiters alleen maar de linkerhand gebruiken staat al gauw in C-groot dus krijgen de Eb-instrumenten automatisch drie kruizen aan de sleutel.” “De toonsoort is prima als de noot gis maar niet voorkomt bij de altsaxofoon.” “Ja, maar een gis is toch slechts een kwestie van een g spelen met een zijklepje erbij? Dat is toch niet zo moeilijk aan te leren voor die kinderen?” zei ik met mijn Hollandse nuchterheid. “Ivo, je verandert die noot, anders gaat het hele feest niet door!” Onbegrip en een leermoment verder heb ik die noot voor de jonge altsaxofonisten van Amerika toen maar veranderd.

In het tweede deel had ik wat grappige geluidseffecten voor de blokfluiters gecomponeerd.

2

 

 

Op de 1e tel moesten ze alleen op de kop blazen met de wijsvinger er helemaal in, op de 2e tel de wijsvinger er half in en op de 3e tel alleen op de kop zodat er een gebroken drieklank zou ontstaan. Na dit herhaald te hebben kregen de blokfluiters vervolgens 11 tellen de tijd om de blokfluit weer in elkaar te zetten om 4 noten ‘normaal’ te spelen. Daarna volgden er weer wat andere kunstjes op de blokfluit. Deze vingergymnastiek scheen voor de jeugdige Amerikaanse blokfluiters echter een onoverkomelijke barrière te vormen. Nog steeds is mij niet duidelijk of ze de humor van dit deel wel inzagen.

Mocht u ooit de Amerikaanse naast de Europese versie houden dan moet u niet raar opkijken als er een deel ontbreekt. Muziek mag dan wel een internationale taal zijn maar over de inhoud valt wel degelijk te twisten!

Bekijk het overzicht van al onze columns.